Enkele jongeren namen het initiatief om spullen in te zamelen voor de vluchtelingen in het Campe Jules-Ferry in Calais. Thijs Smeyers van Caritas Vlaanderen ging met hen mee, in een grote Caritas-camionette, om alle ingezamelde materiaal ter plaatse te krijgen. Vele anderen ging hen voor, nog velen worden geraakt en willen eenzelfde initiatief op touw zetten. Met dit in het achterhoofd, schreef Smeyers nadien dit verhaal.

"Kunnen jullie volgende maand niet terugkomen? Of binnen twee maanden?" De vrijwilliger van Secours Catholique, die ons na een dag in de "jungle" van Calais ontvangt, kijkt ons doodop aan. "Jullie komen van België? Oké, gooi alles maar daar op die hoop", zucht de man, wijzend naar een berg zakken in het midden van een afgeleefde parochiezaal.

Er staan dozen met t-shirts, pulls, schoenen en jassen klaar voor de verdeling zaterdag, in het kamp zelf. Er is te weinig plaats en er zijn te weinig vrijwilligers die langere tijd blijven om alles te sorteren en te stockeren. "Mensen blijven maar spullen brengen, vaak hetzelfde. Wij kunnen echt niet meer volgen", vertelt Armand. Terloops wijst hij naar enkele zakken kinderkleding en vraagt hij of we die niet mee terug kunnen nemen.

We willen iets doen, horen we de laatste weken vaak. Ook bij ons, Caritas België, komen elke dag telefoons binnen. Of we geen kleren kunnen gebruiken. Of dekens. Dat ze zelf naar Calais willen gaan, spullen gaan uitdelen. Na mijn bezoek weet ik het zeker: neen.

Blijf weg uit Calais. Er zijn op dit moment voldoende helpende handen. Zamel niets in voor Calais. Er is geen plaats meer om alles op te slaan.

Het klinkt hard – en zo voelt het ook. De hele terugrit vroeg ik me af of we er wel goed aan hadden aan gedaan om naar daar te rijden. Wat begon met "Ik wil ook iets concreet doen", eindigde met een beladen gevoel.

Ik denk terug aan de eerste stop die we maakten, op een parking waar vluchtelingen wachten tot het tijd is om naar de Eurotunnel te trekken. Twintig vluchtelingen waren er. Kunnen we iets doen, vroegen we hen. Schoenen. En tandenborstels. Plots waren het er 100. Of 150. We telden ze niet. We kalmeerden ze, susten ruzies om dekens en schoenen. En zagen hoe ze meteen hun tanden gingen poetsen.

Nadien hoorden we dat ze hun schoenen uittrekken als ze goede zielen zien. Schoenen zijn geld waard: een paar euro, om een maaltijd te kopen. We hoorden ook dat ze alles aannemen en dan pas kijken wat ze nodig hebben. De rest blijft liggen, als afval. Vanuit ons "iets willen doen", droegen wij bij aan hun slecht imago.

Wil jij ook iets doen? Ga dan niet naar Calais. Blijf thuis. Stort geld aan Dokters van de Wereld of Secours Catholique, zodat zij ginds grotere ruimtes kunnen huren. Of aan Caritas in België, voor de opvang van vluchtelingen in eigen land. Zamel kleren in voor de asielcentra bij ons. Of voor een daklozenwerking in je buurt. Ook zij vragen om hulp en zij kunnen er veel mee doen.

Thijs

Opgenomen als Opiniebijdrage in De Standaard op 29-30/08/2015